In
de andere artikelen over ultralopen is een trainingsmethode
besproken als voorbereiding op een 100 km wedstrijd. Wie zijn
oor te luisteren legt bij de topatleten krijgt wellicht de indruk
dat er wel degelijk meer kilometers getraind moeten worden om
echt de top te bereiken. Dit kan in de vorm van piektraining.
Het succes staat of valt echter bij de juiste invulling daarvan.
Door Ton Smeets
Van de
wereldkampioen 100 km van 1995, Valmir Nunes, is het bekend
dat hij trainingsweken maakt tot wel 400 km in de week. Een
trainingsbeest dus, die alle wetten van de hardlooptraining
aan zijn laars lapt. Maar Nunes is niet de enige. Al Howie liep
in 1991 in Canada van St.John naar Victoria in iets meer dan
72 dagen. In totaal liep hij 7295,5 km, hetgeen neer komt op
een gemiddelde van 100,7 km per etmaal! Enkele weken later startte
hij in de 1300 mijl (2092 km) van New York. Hij won deze wedstrijd
met een gemiddelde van 105,6 km per etmaal. In eigen land komen
we Jan Knippenberg tegen met een trainingsweek van 700 km (in
"De mens als duurloper" pp.208-210). Wie dat soort
verhalen leest gelooft absoluut niet dat een ultraloper zeker
niet boven de 200 km per week uit mag komen. De voorbeelden
tonen aan dat zelfs 700 km per week haalbaar zijn. De combinatie
van veel kilometers en niet overtraind raken schuilt hem in
een speciaal trainingsprincipe. Zelf noem ik dat het cumulatie-principe.
In de literatuur staat het bekend als "high mileage principle"
of "piektraining".
Cumulatie
Begrippen
als "piektraining" en "high mileage training"
leggen de nadruk op het stapelen van veel kilometers en verwaarlozen
de noodzakelijke voorwaarden daarvoor. Het begrip "cumulatie-training"
plaatst de grote omvang die sommige atleten trainen in de juiste
context van een veel verfijnder trainingsprincipe. Wie de Van
Dale er op na slaat leest onder cumulatie: "samenvoeging,
opeenhoping". Samenvoegen en opeenhopen zijn nu juist de
twee sleutelwoorden waar het hier om draait. Waar het in feite
om draait zijn deze twee sleutelwoorden:
Samenvoegen:
We nemen
een trainingsperiode en bepalen wat het totaal aantal kilometers
zijn die we in die periode mogen maken. We voegen dus alle trainingskilometers
samen over een periode die langer is dan de gebruikelijke cyclus
van een week. Vervolgens komt het begrip "opeenhoping"
om de hoek kijken.
Opeenhoping:
Nadat
we alle kilometers over een langere periode hebben samengevoegd
gaan we in een relatief korte periode een groot deel van die
kilometers lopen. We clusteren dus de meeste kilometers in een
relatief kort tijdsbestek. Het gevolg is dat we in dat korte
tijdsbestek veel te veel kilometers lopen. Op zich is dat geen
punt als we ons rekenschap geven van het begrip "samenvoegen".
Samenvoegen:
Ondanks
de opeenhoping van de kilometers in die korte tijd mag het totaal
aantal kilometers van de hele periode niet boven het oorspronkelijk
gemiddelde uitkomen.
Het begrip
"cumulatie" verklaart op deze wijze heel wat, maar
het zal minstens even veel vragen oproepen. De vragen liggen
voor de hand:
Vraag
1:Moet je eerst kilometers inleveren om ze daarna extra te mogen
lopen of loop je eerst extra kilometers om ze daarna in te leveren
in de training? Met andere woorden herstellen we vooraf om uitgerust
aan de piektraining te beginnen of pieken we eerst en herstellen
achteraf.
Vraag
2: Hoe lang
duurt de samenvoegperiode?
Vraag
3:Hoe verhoudt de opeenhoopperiode zich ten opzichte van de
totale samenvoegperiode?
Het intervalprincipe
Bovenstaande
vragen komt men dagelijks tegen in de atletiek. Als je gaat
intervallen, hoe lang loop je dan tempo en hoe lang rust je
uit tussen twee tempo's. Hoe moe of hoe uitgerust moet je zijn
om aan een intervaltraining te beginnen. Ga voor uzelf maar
eens na hoe zinvol het is om daags na een marathon een intervaltraining
te doen. Niet zinvol en dus beslist niet doen is dan het antwoord.
En na een maand rust meteen weer een intervaltraining? Ook niet
doen. Eerst een basis opbouwen en dan naar de intervaltraining
toe werken. In feite is cumulatietraining niets anders dan intervallen
voor ultralopers. Een zekere trainingsbasis van duurtrainingen
is noodzakelijk voordat het cumulatie-principe toegepast kan
worden.
Er wordt
nogal eens beweerd dat ultralopen niet trainbaar is. Althans,
de kortere ultra's zoals 100 km zijn dat zeker nog wel, maar
24 uur of langer zouden niet trainbaar zijn. Ik trek die uitspraak
in twijfel. Dat men vandaag de dag vindt dat een 100 km wel
trainbaar is, is duidelijk. De 100 km training verschilt niet
zo veel van de marathon training. Het is overigens nog niet
zo lang geleden dat men vond dat de marathon niet trainbaar
was. Het trainingsadvies luidde toen: veel kilometers wandelen
en af en toe een looptraining. De marathon staat momenteel een
eeuw op het Olympisch programma, maar een halve eeuw terug werd
zo nog geschreven over marathontraining. Voor de marathon is
periodisering heel belangrijk. Bijvoorbeeld twee weken veel
omvang en een week 'n stapje terug. En dan langzaam opvoeren.
Maar wel elke derde of vierde week even het lichaam herstel
gunnen van de afgelopen periode en de batterij opladen om ook
de volgende periode weer aan te kunnen. Wie echter goed kijkt
naar dit principe ontdekt daarin het principe van de intervaltraining.
In de intervaltraining wisselen inspanning en ontspanning elkaar
af in het korte tijdsbestek van één trainingsavond. De wisselingen
tussen inspanning en ontspanning in een marathonvoorbereiding
strekken zich uit over enkele weken. Als je tijdens de intervaltraining
te lang pauze neemt en helemaal niet meer loopt moet je opnieuw
aan je warming up beginnen. Wie te lang stopt als tussentijds
herstel in de marathonvoorbereiding moet opnieuw beginnen met
zijn trainingsopbouw. Wat een wereld van verschil lijkt, blijkt
in werkelijkheid verrassend dicht bij elkaar te liggen. Ultratraining
is in dat opzicht niets anders dan voortborduren op reeds bestaande
trainingsprincipes. Hoe je dat precies moet aanpakken en invullen
blijkt vaak een probleem.
De juiste
invulling
Wie het
cumulatieprincipe gaat toepassen moet een aantal factoren in
acht nemen:
1.De totale trainingsomvang op jaarbasis mag
hooguit met 100 uur per jaar toenemen. De totale jaaromvang
mag echter niet boven de 500 uur uit komen.
2.Varieer maar één trainingsfactor tegelijk.
Dus niet gelijktijdig het jaartotaal opvoeren en de cumulatie
gaan toepassen. Op die wijze zou de herstelperiode wel eens
niet als "herstel" door het lichaam begrepen worden.
3.Ga eerst cumuleren op weekbasis; bijvoorbeeld
door relatief veel kilometers in het weekeind te lopen en midweeks
meer herstel te nemen. De weekcumulatie voldoet voor loopnummers
van marathon tot 100 km. In een volgend stadium kan gecumuleerd
worden in een periode van 3 weken. Deze periode is mijns inziens
geschikt voor loopnummers van 12 uur tot 24 uur. Voor loopnummers
die langer dan 24 uur duren kunnen we nog langere perioden gebruiken.
4.De trainingsbelasting neemt toe als we meer
kilometers stapelen in de piekperiode. Ook het verkorten van
de piekperiode maakt de training zwaarder.
5.Vermijd andere vormen van stress tijdens
de piek.
Wie een
piek als 400 kilometer volgens Nunes wil trainen zal moeten
zorgen dat hij dat doet in een vakantieperiode of trainingsstage
waar hij niet veel meer hoeft te doen dan te eten, te slapen
en te lopen. Een wielrenner die de Tour de France heeft gereden
heeft in dit opzicht een ideale piekperiode gehad, waarbij voor
eten en slapen gezorgd worden. Achteraf weinig trainen en er
kan weer aardig gekoerst worden tijdens de kermisrondjes. Een
weekje een etappewedstrijd lopen, waarbij in totaal tot drie
maal de normale trainingsomvang gelopen wordt is goed te doen.
Voorwaarde is dat de organisatie alles heeft geregeld wat eten
en slapen betreft. Voorwaarde is ook dat men minstens een week
van te voren gas terug neemt tot ongeveer halve omvang. Ook
in de twee tot drie weken die volgen blijft het aantal trainingsuren
gehalveerd. In totaal blijft het aantal trainingskilometers
dus ongeveer gelijk over het totaal van vijf weken. Of er twee
of drie weken achteraf op halve duur getraind moet worden hangt
af van het feit in hoeverre men diep is gegaan tijdens de etappewedstrijd
en wat de intensiteit van de herstelloopjes achteraf waren.
Het motto is dus duidelijk: wat men in de lengte wint moet men
in de breedte toegeven. Wie van het standaard trainingsritme
van twee tot drie weken stevig trainen en een week relatieve
rust wilt overgaan naar extreme piektrainingen zal die overgang
langzaam moeten maken. Telkens een groter deel van de totale
omvang samenvoegen in een steeds kleiner tijdsbestek waarin
opgestapeld wordt is een principe wat langzaam in de training
geïntroduceerd moet worden.
Een voorbeeld
Als voorbeeld
neem ik mijn eigen voorbereiding voor de Spartathlon (250 km
van Athene naar Sparta) van 1991. De voorbereidingsperiode deelde
ik op in een aantal perioden die elk drie weken duurden. In
elke periode zat een piek die ik in wedstrijdverband volbracht.
Elke drie weken een ultramarathon lopen lijkt gekkenwerk. Ik
liep de ultra's echter niet als wedstrijd. De wedstrijden waren
voor mij een manier om de zwaardere trainingen te volbrengen.
Eind
week 24 werd de 12 uur van Den Haag als training gelopen: eerste
vier uur lopen, dan vier uur rust om de laatste 4 uur weer te
lopen; totaal 86 km. Vervolgens:
Periode
1: Totaal 283 km met een gemiddeld tempo van 9,5 km per uur.
week
25: 36 km
week 26: 49 km
week 27:198
km in 5 dagen tijdens etappewedstrijd van Genève naar Bazel
(na 5 dagen van de 7 gestopt i.v.m. voetblessure).
Periode
2: Totaal 262 km met een gemiddeld tempo van 9,5 km per uur.
week 28: 88 km
week 29: 62 km
week 30:112 km waarvan 67 km tijdens
de Swiss Alpine te Davos (tijd 8:40' terwijl ik het jaar vooraf
6:58' liep als wedstrijd).
Periode
3: Totaal 425 km met een gemiddeld tempo van 9,8 km per uur.
week 31: 54 km
week 32: 147 km
week 33:224 km waarvan 180,5 km tijdens
de 24 uur van Jabbeke (in Apeldoorn in mei nog 224,7 km).
Periode
4: Totaal 416 km met een gemiddeld tempo van 10,4 km per uur.
week 34: 65 km
week 35:
155 km waarvan 87 km in het weekeind (zaterdag en zondag) gestapeld
in 4 duurlopen van ruim 20 km; het tempo liep op van 9 km/u, via 10 en 10,5 km/u naar 13 km/u.
week 36:196
km waarvan 100 km tijdens de RUN te Winschoten (tijd 8:59' terwijl
ik het jaar vooraf 8:20' liep als wedstrijd). Het tempo tijdens
de eerste 90 km was ongeveer 10,5 km/u; in de laatste 10 km
werd 14 km/u gelopen.
Totaal
1386 km in deze 12 weken. Dit komt neer op een gemiddelde van
116 km per week. Het gemiddelde tempo tijdens de trainingen
lag iets boven het wedstrijdtempo van een 24 uur wedstrijd (224,7
km in 24 uur komt neer op 9,3 km per uur).
Periode
5: Drie weken tapering off naar de Spartathlon. Totaal 400 km
in drie weken, waarvan 150 km tijdens de 18 dagen vooraf, en
250 km tijdens de Spartathlon zelf. In de voorbereiding was
het lichaam gewend geraakt aan deze loopbelasting.
Lopen
is slopen
Rust
is een noodzaak voor piektraining. De zware trainingsperiode
zorgt voor een lichamelijke stress. Deze lichamelijke stress
mag best getraind worden, daar de ultraloper ook in wedstrijdverband
met dergelijke lichamelijke stress te maken krijgt. Tegelijkertijd
moeten echter andere vormen van stress vermeden worden. Lichamelijke
en psychische stress verminderen namelijk de weerbaarheid. Adrenaline,
cortisol en beta-endomorfine zijn stoffen die het immuunsysteem
aantasten. Deze stoffen worden onder lichamelijke of psychische
stress door het lichaam geproduceerd. Een zware training kan
het immuunsysteem tot een efficiëntie van 30 percent reduceren
gedurende de eerste 24 uur na de training. Het is duidelijk
dat dit niet ongestraft kan. Na intensieve training hoort een
periode van herstel; ook voor weerstand te bieden aan virussen
die het lichaam bedreigen. Het gaat bij periodisering dus niet
alleen om rust voor het bewegingsapparaat (spieren, pezen en
gewrichten); ook het immuunsysteem moet tijdig weer op normale
sterkte komen. Dit is waarom atleten regelmatig gas moeten terug
nemen, ook al voelt het allemaal nog goed aan. Russell Prince
(wereldkampioen 100 km in 1990) verwoordde het als volgt "Running
knocks you about", oftewel "Lopen is slopen".
Afbraak zonder wederopbouw is zinloos. Het is het alom bekende
principe van supercompensatie: slopen om iets beters op te bouwen.
ãUltraNed 070199 / Ton Smeets